Praktijkcase

Een werknemer bevestigt zelf dat zijn tijdelijke contract eindigt. Is sprake van een rechtsgeldige aanzegging?

Leestijd 2 minuten

Een werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na een gesprek stuurt hij zijn werkgever de volgende e-mail:

“Naar aanleiding van ons gesprek van zojuist hierbij de bevestiging dat mijn arbeidscontract voor bepaalde tijd eindigt per 1 december 2025. Tot aan de einddatum word ik vrijgesteld van werk.”

De werkgever antwoordt:

“Dat is correct. Wel is het zo dat we ervan uitgaan dat alle vakantiedagen per eind november genoten zijn.”

De stelling: er is sprake van een rechtsgeldige aanzegging en de vakantiedagen worden geacht tijdens de vrijstelling te zijn opgenomen.

Wat zegt de wet over de aanzegverplichting bij een tijdelijke contract?

Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden of langer geldt voor de werkgever de zogenaamde aanzegverplichting van artikel 7:668 BW. Deze verplichting houdt in dat de werkgever de werknemer uiterlijk één maand voordat de arbeidsovereenkomst eindigt schriftelijk moet informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Wil de werkgever de arbeidsovereenkomst voortzetten, dan moet hij ook aangeven onder welke voorwaarden.

Wordt niet of te laat aangezegd, dan kan de werkgever een aanzegvergoeding van maximaal één bruto maandsalaris verschuldigd zijn.

De wet schrijft niet voor in welke vorm de schriftelijke aanzegging precies moet worden gedaan. Een e-mail kan dus voldoende zijn.

Terug naar de stelling

In dit geval is de eerste schriftelijke bevestiging afkomstig van de werknemer. Hij bevestigt per e-mail dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 eindigt. De werkgever reageert op het bericht aangaande de einddatum vervolgens schriftelijk met: “Dat is correct.”

Je zou kunnen beargumenteren dat de werkgever met zijn schriftelijke bevestiging van einddatum en niet voortzetting van de arbeidsovereenkomst aan de aanzegverplichting heeft voldaan. Uiteraard mits, deze e-mailwisseling uiterlijk één maand vóór de einddatum heeft plaatsgevonden. Je zou echter ook kunnen beargumenteren dat niet aan de aanzegverplichting is voldaan, omdat de werkgever niet meer heeft gestuurd dan de woorden ‘dat is correct’. Hoewel daarmee impliciet bedoeld is te zeggen dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 eindigt en dus niet wordt voortgezet, staat dat er niet met zoveel woorden. Naar ons idee zou je de bevestiging moeten beschouwen als een aanzegging echter dit is dus zeker niet zwart wit.

Ten aanzien van de vakantiedagen schrijft de werkgever dat hij ervan uitgaat dat alle vakantiedagen tijdens de periode van vrijstelling worden genoten. Dat kan de werkgever niet eenzijdig bepalen, daarvoor is overeenstemming met de werknemer nodig. De enkele mededeling van de werkgever dat hij ervan uitgaat dat de vakantiedagen zijn opgenomen, is daarvoor onvoldoende.

Is geen overeenstemming bereikt en staan bij het einde van het dienstverband nog vakantiedagen open? Dan moeten die op grond van artikel 7:641 BW in beginsel worden uitbetaald.

Conclusie

Of de stelling juist is, is een kwestie van uitleg.

Naar ons idee is verdedigbaar om te stellen dat er sprake is van een rechtsgeldige aanzegging. De werkgever heeft immers schriftelijk bevestigd dat het tijdelijke contract op de genoemde datum eindigt. Ons advies is om – ter voorkoming van discussie – niet te volstaan met een korte bevestiging zoals hiervoor besproken maar een schriftelijke aanzegging te sturen zoals bedoeld. Dus volledig, met einddatum en de mededeling dat deze niet wordt verlengd/voortgezet.